Beginpagina van Plantaardigheden.nl
 

Leesmaar.nl
Dodoens en andere bijzondere boeken

Sitemap
Index

Plantaardigheden.nl
Artikelen over planten

Leeswerk.nl
Plantenboeken opengelegd

1554 Cruijdeboeck met transcriptie (overgeschreven)
A | B | C | D | E | F | G| H | IJK | L | M | N | O | P | QR | S | T | U | V | WXYZ

Voorwerk Nederlandse, Duitse, Franse, apothekers-, Latijnse en Griekse namen

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Deel 4

Deel 5

Deel 6

Register van die cracht der Cruyden
 
Oude Nederlandse namen
* Project Dodoens
Woordenboek Nederlandsche Taal
Plantago PlantIndex
Letter: druk op CTRL, draai ook aan muiswiel
Bijgewerkt 18-02-2015

«  Cruijdeboeck Voorwerk bladzijde [i]  Zie volgende pagina »

Cruijdeboeck

(titelpagina)

Bladzijde [i]

Volledige titel

Titelprent Cruijdeboeck 1e editie 1554
Het totaal. Zie de detailuitsneden van deze foto verderop deze pagina.
Deze afbeelding op groot formaat:
http://www.kulak.ac.be/mirrors/bio/Cruijdeboeck_scans/high/voorwerk_00005.html

Hieronder volgen de detailuitsneden met een korte beschrijving.

De mooi uitgewerkte afbeelding op de titelpagina bevat de volgende elementen:

Cruijdeboeck. | In den welcken die ghehee|le historie / dat es Tgheslacht / tfatsoen / naem / na-|tuere / cracht ende werckinghe / van den Cruyden / | niet alleen hier te lande wassende / maer oock van | den anderen vremden in der Medecijnen oorboor-|lijck / met grooter neersticheyt begrepen ende | verclaert es / met der seluer Cruyden na|tuerlick naer dat leuen conterfeytsel | daer by ghestelt. | DEr hoochgheborene ende alderdoorluchtich-|ste Coninghinne ende Vrouwe / Vrouw Ma|rien Coninghinne Douaigiere van Hungheren / ende Bohemen &c. Regente ende Gouuernante | van des K. M. Neerlanden / toeghescreuen. | Duer D. Rembert Dodoens / Medecijn van | der stadt van Mechelen.

Cruijdeboeck. | In den welcken die ghehee|le historie / dat es Tgheslacht / tfatsoen / naem / na-|tuere / cracht ende werckinghe / van den Cruyden / & | niet alleen hier te lande wassende / maer oock van | den anderen vremden in der Medecijnen oorboor-|lijck / met grooter neersticheyt begrepen ende | verclaert es / met der seluer Cruyden na|tuerlick naer dat leuen conterfeytsel | daer by ghestelt. | DEr hoochgheborene ende alderdoorluchtich-|ste Coninghinne ende Vrouwe / Vrouw Ma|rien Coninghinne Douaigiere van Hungheren / ende Bohemen &c. Regente ende Gouuernante | van des K. M. Neerlanden / toeghescreuen. | Duer D. Rembert Dodoens / Medecijn van | der stadt van Mechelen.


Titel van het Cruijdeboeck 1e editie 1554
De grote afbeelding: klik hier

Boven in het midden, in een medaillon, het wapen van koningin Maria van Hongarije en Bohemen, regentes van de Nederlanden, aan wie het Cruijdeboeck is opgedragen. Dit wapen vormt ook de achtergrond in de grote beginkapitaal van Dodoens' opdracht (tevens inleiding) aan koningin Maria van Hongarije en Bohemen. Vergelijk:

in een medaillon, het wapen van koningin Maria van Hongarije en Bohemen, regentes van de Nederlanden, aan wie het Cruijdeboeck is opgedragen
Wapen van koningin Maria van Hongarije en Bohemen
De grote afbeelding: klik hier

Boven links

zien we Apollo, god van de zon, maar ook van de muziek, en Flora. Flora was in het oude Rome de godin van de lente en de bloemen. In de Griekse mythologie was haar naam Chloris, 'de Groene', maar ze was weinig bekend bij de Grieken. In Rome werden jaarlijks ter ere van Flora de Floralia (lentefeesten) gevierd. Tijdens deze zes dagen durende festiviteiten tooiden de Romeinen zich met bloemen en gingen ze uitgelaten en uitbundig tekeer.

Apollo, god van de zon, maar ook van de muziek, en Flora. Flora was in het oude Rome de godin van de lente en de bloemen. In de Griekse mythologie was haar naam Chloris, 'de Groene', maar ze was weinig bekend bij de Grieken. In Rome werden jaarlijks ter ere van Flora de Floralia-lentefeesten gevierd. Tijdens deze zes dagen durende festiviteiten tooiden de Romeinen zich met bloemen en gingen ze uitgelaten en uitbundig tekeer.
Apollo, god van de zon, maar ook van de muziek, en Flora. Flora was in het oude Rome de godin van de lente en de bloemen.
De grote afbeelding: klik hier

Boven rechts:

Aesculapius of Asklepios, zoon van Apollo, god van de geneeskunst, en Pomona. Pomona was een boomnimf, die zich geheel wijdde aan het verzorgen van haar tuin en het kweken van fruit
Aesculapius of Asklepios, zoon van Apollo, god van de geneeskunst, en Pomona. Pomona was een boomnimf, die zich geheel wijdde aan het verzorgen van haar tuin en het kweken van fruit.
De grote afbeelding: klik hier
Aesculapius of Asklepios, zoon van Apollo, god van de geneeskunst, en Pomona. Pomona was een boomnimf, die zich geheel wijdde aan het verzorgen van haar tuin en het kweken van fruit. Ze had een voorliefde voor appels. In haar rechterhand had ze altijd een snoeimes, waarmee ze overdadige groei in toom hield en enten maakte. Ze zorgde er natuurlijk ook voor dat haar planten voldoende water kregen. Deze bezigheden waren haar grote passie, voor de liefde had ze geen enkele belangstelling. Voor de zekerheid hield zij de deur van haar tuin op slot en mannen ontzegde zij de toegang. De faunen en satyrs hadden er alles voor over om haar voor zich te winnen, maar ze hadden geen schijn van kans. Het meest werd ze wel bemind door Vertumnus, de god van de seizoenen. Allerlei verleidingstrucs had hij al verzonnen, maar geen van alle had succes. Op een dag probeert hij in de gedaante van een oude vrouw de kuise nimf aan te zetten haar afkeer van mannen te laten varen. Op deze manier lukt het hem uiteindelijk haar te spreken. Na haar uitbundig complimenten te hebben gemaakt over de mooie tuin, wijst hij naar een wijnrank met druiventrossen die door een boom wordt gestut. Hij merkt op dat zonder deze wijnrank de boom met niets anders zou kunnen pronken dan met zijn bladeren en dat de wijnrank zonder de boom kwijnend op de grond zou liggen. Vervolgens vergelijkt hij de boom en de wijnrank met de man en de vrouw die elkaar onderling nodig hebben en houdt een vurig pleidooi voor het huwelijk.

Als geschikte kandidaat voor Pomona prijst hij zichzelf, Vertumnus, aan, die, zo zegt hij, meer dan ieder ander de door Pomona verzorgde vruchten waardeert. Om haar te waarschuwen voor de gevolgen van een te hardvochtige opstelling vertelt hij haar het verhaal van de wanhopig verliefde Iphis, die zich verhing omdat hij voortdurend werd afgewezen door het meisje Anaxarete. Toen Anaxarete zag wat ze had aangericht, versteende ze. Maar als ook dit droevige verhaal Pomona niet kan overreden, neemt hij zijn oorspronkelijke gedaante aan, met de bedoeling om zijn zin met geweld door te drijven. Dit blijkt echter niet nodig, de schoonheid van de jonge god maakt zo'n indruk op Pomona dat zij zich direct gewonnen geeft. In het oude Rome werd Pomona vereerd als 'Appelmoeder': alle banketten werden afgesloten met het eten van appels, als eerbewijs aan Pomona, opdat zij de mensen goedgezind zou zijn.

^Naar het begin van deze pagina

Links van de titel:

Gentius (2e eeuw v. Chr.), koning van Illyrië, die volgens Dioscorides en Plinius de geneeskrachtige eigenschappen van de (gele) gentiaan (Gentiana lutea) zou hebben ontdekt
Gentius (2e eeuw v. Chr.), koning van Illyrië
De grote afbeelding: klik hier

Gentius (2e eeuw v. Chr.), koning van Illyrië, die volgens Dioscorides en Plinius de geneeskrachtige eigenschappen van de (gele) gentiaan (Gentiana lutea) zou hebben ontdekt (hij gebruikte de plant tegen de pest). Dodoens schrijft hierover (Cruijdeboeck, blz. 368): "Gentius Coninck van Illyrien heeft dit cruyt ierst ghevonden ende tot den gebruyck der medecijnen ghebrocht / ende daer om worddet naer sijnen naem Gentiana ghenaempt." In zijn rechterhand draagt Gentius een exemplaar van de gentiaan.

Methridates (Mithridates VI Eupator, ook wel Dionysius of Mithridates de Grote genoemd, 132-64 v. Chr.), koning van Pontus, die zo bang was dat hij vergiftigd zou worden dat hij zichzelf door middel van kruiden immuun voor vergif maakte en als gevolg daarvan zichzelf, toen hij wilde sterven, niet meer met vergif kon doden
Methridates (Mithridates VI Eupator, ook wel Dionysius of Mithridates de Grote genoemd, 132-64 v. Chr.), koning van Pontus
De grote afbeelding: klik hier

Daaronder Methridates (Mithridates VI Eupator, ook wel Dionysius of Mithridates de Grote genoemd, 132-64 v. Chr.), koning van Pontus, die zo bang was dat hij vergiftigd zou worden dat hij zichzelf door middel van kruiden immuun voor vergif maakte en als gevolg daarvan zichzelf, toen hij wilde sterven, niet meer met vergif kon doden. Mithridates heeft vooral bekendheid gekregen vanwege zijn kennis van de kruiden die als tegengif konden dienen bij vergiftigingen. Ook is er het verhaal dat hij voor het eerst de agrimonie (Agrimonia eupatoria) gebruikt zou hebben als remedie tegen leverziekten (de soortnaam 'eupatoria' zou verwijzen naar Mithridates' bijnaam Eupator, wat weldoener betekent). In zijn rechterhand heeft hij een gifbeker.

Rechts van de titel:

Arthemisia (Artemisia), koningin van Karië, echtgenote van koning Mausolus te Halicarnassus, ter ere van wiens nagedachtenis zij het Mausoleum liet bouwen (353 v. Chr.), dat als een van de zeven antieke wereldwonderen gold. Een plantengeslacht van de Composietenfamilie is naar haar vernoemd: Artemisia. In haar linkerhand heeft ze vermoedelijk de plant die naar haar is vernoemd, maar het is niet duidelijk welke soort het is. Volgens de overlevering zou zij zelf veel bijvoet (Artemisia vulgaris) hebben gebruikt. Dodoens zegt er het volgende over: "Dese cruyden (zoo Plinius schrijft) hebben hueren naem naer Arthemisia Coninghinne van Halicarnasso huysvrouwe van Mausolus Coninck van Carien / die dese cruyden vercosen heeft / ende met hueren naem Arthemisia ghenaempt / die te vore Parthenis dat is Virginalis en Maeghdencruyt ghenaempt waren : Som andere segghen dat Arthemisia ghenaempt es naer die Goddinne Diana die Arthemis oock gheheeten wordt / ende dat om dat dit cruyt seer sonderlinghe voor der vrouwen ghebreken es / daer die Heydenisse Dianam overste ende Goddinne af ghemaeckt heeft" (Cruijdeboeck, blz. 22)
Arthemisia (Artemisia), koningin van Karië, echtgenote van koning Mausolus te Halicarnassus, ter ere van wiens nagedachtenis zij het Mausoleum liet bouwen (353 v. Chr.), dat als een van de zeven antieke wereldwonderen gold. Een plantengeslacht van de Composietenfamilie is naar haar vernoemd: Artemisia. In haar linkerhand heeft ze vermoedelijk de plant die naar haar is vernoemd, maar het is niet duidelijk welke soort het is. Volgens de overlevering zou zij zelf veel bijvoet (Artemisia vulgaris) hebben gebruikt
Arthemisia (Artemisia), koningin van Karië
De grote afbeelding: klik hier
Daaronder zien we Lysimachus (355-281 v. Chr.), koning van Thracië en veldheer van Alexander de Grote, die, op instigatie van zijn derde vrouw Arsinoë, zijn zoon Agathocles liet vergiftigen. In zijn linkerhand draagt hij ofwel de plant waarmee hij zijn zoon om het leven bracht (welke is onbekend), ofwel het is een wederik: Lysimachus is de naamgever van het plantengeslacht Lysimachia (wederik), waartoe het penningkruid en de verschillende wederiken (bloedstelpende kruiden) behoren. Dodoens schrijft zelf over de 'oirsaecke zijns naems' het volgende: "Dit cruyt heeft zijnen naem Lysimachion, naer den vromen ende edelen Lysimachus vrint ende neve van Alexander Magnus Coninck van Macedonien / die dit cruyt alder ierst ghevonden ende ghebruyckt heeft / ende den naecomelinghen ghewesen" (Cruijdeboeck, blz. 87).
Lysimachus (355-281 v. Chr.), koning van Thracië en veldheer van Alexander de Grote, die, op instigatie van zijn derde vrouw Arsinoë, zijn zoon Agathocles liet vergiftigen. In zijn linkerhand draagt hij ofwel de plant waarmee hij zijn zoon om het leven bracht (welke is onbekend), ofwel het is een wederik: Lysimachus is de naamgever van het plantengeslacht
Lysimachus (355-281 v. Chr.), koning van Thracië
De grote afbeelding: klik hier

Aan de onderzijde

van de gravure zien we de Tuinen der Hesperiden (Hesperidum Horti). De Hesperiden, 'avondmeisjes' of  'dochters van de nacht' ('hespera' is avond in het Grieks), woonden in het verre westen, aan het einde van de wereld, in het land waar de zon ondergaat.
Volgens de bekendste lezing van de mythe was dit het gebied van het huidige Atlasgebergte in Afrika, maar men dacht zich het ook voorbij de Zuilen van Herakles (Gibraltar) of op een eiland in de oceaan. In de Griekse mythologie waren de Hesperiden de zeven (volgens sommigen: vier) dochters van de titan Atlas en Hesperis, volgens anderen dochters van Nyx (de Nacht), of van Phorkys en Keto, of van nog andere oorsprong.
Op de afbeelding zien we drie dames, en het valt niet uit te maken welke van de zeven aan de Hesperiden toegeschreven namen dezen dragen: Aigle, Arethusa, Erytheia, Hesperia, Hestia, Hespera of Hesperusa. Zij zijn genoemd naar hun moeder, of naar de vader van deze, Hesperos.

In een niet ver van het Atlasgebergte gelegen tuin van Hera bewaakten zij een boom (de levensboom, waaraan gouden, eeuwige jeugd schenkende appelen groeiden) die de godin Gaia (de Aarde) uit haar schoot liet voortkomen, om aan Hera, toen deze met Zeus in het huwelijk trad, een kostbaar bruidsgeschenk te geven.

Tuin der Hesperiden (Hesperidum Horti) afgebeeld. De Hesperiden, 'avondmeisjes' of 'dochters van de nacht' ('hespera' is avond in het Grieks), woonden in het verre westen, aan het einde van de wereld, in het land waar de zon ondergaat. In een niet ver van het Atlasgebergte gelegen tuin van Hera bewaakten zij een boom (de levensboom, waaraan gouden, eeuwige jeugd schenkende appelen groeiden) die de godin Gaia (de Aarde) uit haar schoot liet voortkomen, om aan Hera, toen deze met Zeus in het huwelijk trad, een kostbaar bruidsgeschenk te geven. Om die boom nog veiliger te doen bewaken stelde de godin een tweede wachter over haar appelen aan, namelijk de honderdkoppige draak Ladon, een zoon van Typhon en Echidna, die nooit sliep, en door zijn voortdurend gebrul allen die in de nabijheid kwamen, verjoeg. Alleen de held Herakles kon dit monster aan. Hij versloeg het toen hij door Eurystheus uitgezonden werd om drie van die appelen te halen.
Tuinen der Hesperiden (Hesperidum Horti). In een niet ver van het Atlasgebergte gelegen tuin van Hera bewaakten zij een boom (de levensboom, waaraan gouden, eeuwige jeugd schenkende appelen groeiden) die de godin Gaia (de Aarde) uit haar schoot liet voortkomen
De grote afbeelding: klik hier

Om die boom nog veiliger te doen bewaken stelde de godin een tweede wachter over haar appelen aan, namelijk de honderdkoppige draak Ladon, een zoon van Typhon en Echidna, die nooit sliep, en door zijn voortdurend gebrul allen die in de nabijheid kwamen, verjoeg. Alleen de held Herakles kon dit monster aan. Hij versloeg het toen hij door Eurystheus uitgezonden werd om drie van die appelen te halen. Dit was het elfde van de (twaalf) werken van Herakles. In de literatuur en op afbeeldingen zijn er van deze mythe twee versies: in de ene verslaat Herakles de draak en pakt de appels; in de andere versie vraagt hij Atlas, die toch, met het hemelgewelf op zijn schouders, bij de tuin staat, om de appels te halen terwijl Herakles de last even van hem overneemt. Op de gravure gaat Herakles het monster te lijf.

^Naar het begin van deze pagina

Portret van Rembert Dodoens

Op bladzijde 6 (ongenummerd, folium 3 verso), na de inleiding, staat een portret van Dodoens, het is dezelfde afbeelding als in De stirpium historia van 1553. Dit is de oudste afbeelding van Dodoens. Hij is afgebeeld in de kledij van geneesheer (van die tijd). In zijn rechterhand houdt hij een tak bloemen, in zijn linkerhand een rol papier (symbool van de wetenschap). De afbeelding vermeldt zijn leeftijd: Remberti Dodonaei Aeta. XXXV. (35 jaar). Daaronder het motto van Dodoens: Virtute ambi. Betekenis: 'Deugd leidt tot verdienste' of 'Deugdzaamheid is lonend'. Daarnaast prijkt zijn wapenschild: twee sterren op azuren veld, een halve maan in de punt en als helmteken een tussen twee uitgespreide vleugels uitkomende leeuw.

 

Technische gegevens

[op de laatste bladzijde van het boek, onder het 'Register van die cracht ende Werckinghe']
Ghedruckt Tantwerpen by Jan vander | Loe in onser Vrouwen pandt / int Jaer | M. D. LIIII.

Het boek is gedrukt bij Jan van der Loe, Antwerpen 1554.
Formaat: klein folio, (40 [40 blanco]) 818 [(i) - cccc ccccxviii] (20, index) bladzijden. Er zijn flink wat fouten in de paginering, vooral in het eerste deel.
Ggedrukt in een gotische letter. Paginering en hoofdstukken romeins genummerd (521 hoofdstukken); 715 houtsneden.
Aaantal beschreven planten volgens het register 1060, in werkelijkheid minder, namelijk circa 980, aldus J.-E. Opsomer in zijn inleiding bij de facsimile herdruk van Histoire des plantes uit 1978.

Behalve een titelpagina voor het hele werk (tekst zoals bovenstaand) en zijn er deeltitels voor elk van de zes afzonderlijke delen. Op de echte titelpagina luidt de titel: Cruijdeboeck of Cruÿdeboeck (met een ij met twee puntjes, heel exact: ÿ), op de deeltitels luidt de titel Cruydeboeck (y zonder puntjes) en ook in Dodoens' eigen inleiding op dit werk (als opdracht aan koningin Maria van Hongarije) wordt van Cruydeboeck gesproken. Als titel van dit boek wordt zowel Cruydeboeck als Cruijdeboeck opgegeven, maar volgens de hoofdtitelpagina is het dus Cruijdeboeck.

Als voorbeeld van een deeltitel volgt hier de tekst van de titelpagina van het eerste deel (voor de overige delen is de tekst nagenoeg gelijk):

Des Cruydeboecks | Dat es van der cruyden gheslacht / | fatsoen / naem / cracht / en werckinghe. | Dat Ierste deel. DEr hoochgheborene alderdoerluchtichste Coninghinne ende vrouwe / | vrouw Marie Coninghinne van Hungheren / ende Beemen &cet. | Gouuvernante ende Regente des K. M. Neerlanden | toegheschreuen. | Duer Doctor Rembert Dodoens / Medecijn | der stadt van Mechelen. | Met Keyserlijcke Privilegie | van Thien iaren.

^Naar het begin van deze pagina

Informatie over de inhoud

Dit is de eerste editie van het Cruijdeboeck. Het was het meest verspreide kruidboek in de zestiende en zeventiende eeuw en werd in het Frans vertaald door Carolus Clusius en in het Engels door Henry Lyte, en tenslotte in het Latijn door de auteur zelf, telkens met herzieningen en aanvullingen (zie verderop in deze bibliografie). Van deze Latijnse editie - Stirpium historiae pemptades sex (1583), het laatste werk van Dodoens - verscheen weer een Engelse uitgave, die grotendeels bestaat uit een vertaling en bewerking door John Gerard.

Het merendeel (515) van de houtsneden in deze uitgave is ontleend aan een kruidboek van Leonhart Fuchs, namelijk Kräuter-Bilder of 'das kleinen Buch', d.w.z. een uitgave in quarto zonder tekst, een soort 'pocketboek', met alleen de verkleinde houtsneden (12 cm hoog) en de namen van de planten in het Latijn en in het Duits, naar de oorspronkelijke afbeeldingen (32 x 21 cm) uit de uitgave van 1542 (De historia stirpium; Duitse vertaling: New Kreüterbuch, 1543). De tekenaars van de oorspronkelijke houtsneden in Fuchs' kruidboek waren Albrecht Meyer, die de planten naar de natuur tekende, en Heinrich Füllmaurer, een kunstenaar die de tekeningen op de houtblokken overbracht. De uiteindelijke houtsneden werden vervaardigd door Veit Rudolf Speckle uit Straatsburg. De drukker van het Cruijdeboeck, Jan van der Loe, wist zich de houtsneden van de 'kleine uitgave' te verwerven. Voor het Cruijdeboeck werden er 200 nieuwe houtsneden aan toegevoegd. De tekeningen hiervoor werden vervaardigd door Pieter van der Borcht, de blokken door Antoon Bosch, of Sylvius. Beide laatstgenoemde kunstenaars staan ook met hun initialen, P. B. en AS (ligatuur), op de gravure van de titelpagina vermeld (onderaan, zie afbeelding van de titelpagina).

Overzicht van de inhoud, zes delen omvattend: het eerste deel omvat 101 hoofdstukken en 182 houtsneden, het tweede deel 102 hoofdstukken en 142 houtsneden, het derde deel 90 hoofdstukken en 121 houtsneden, het vierde deel 65 hoofdstukken en 79 houtsneden, het vijfde deel 79 hoofdstukken en 121 houtsneden, het zesde deel 84 hoofdstukken en 70 houtsneden. Verder namenregisters (Nederlands, Duits, Frans, Latijn en Grieks) en een register op ziekten en kwalen.

Ter vergelijking van de oorspronkelijke grote, ingekleurde, houtsneden in Fuchs' werk en de kleinere die in het Cruijdeboeck werden afgedrukt, volgen hier drie links. De eerste is naar de oorspronkelijke uitgave van De historia strirpium door Leonhart Fuchs (1542), de tweede is naar hetzelfde werk in het Duits vertaald: New Kreüterbuch (1543), de laatste is naar de oude Vlaamse vertaling van dit werk: Den Nieuwen Herbarius (1549), een voorloper van Dodoens' Cruijdeboeck:

^Naar het begin van deze pagina

De titelprent

De grote afbeelding: klik hier

^Naar het begin van deze pagina